19-10-2026

Vrijwilligerswerk doe je (ook) voor jezelf

Dit jaar is het internationale jaar van de vrijwilliger. De samenleving heeft vrijwilligers maar al te erg nodig. Sportverenigingen, politieke partijen, kleine culturele instellingen, de zorg – ze zijn allemaal afhankelijk van de tijd en moeite die mensen er belangeloos aan besteden. Hoewel, zó belangeloos is die inzet grappig genoeg niet.

Bron: Column van Brankele Frank uit het Financieel Dagblad. Brankele Frank is neurobioloog, podcastmaker, schrijver en de Slimste Mens 2025. 

Wie goed doet, heeft waarschijnlijk geen rendement voor ogen. Toch is dat er wel. Economen in het Verenigd Koninkrijk volgden twaalf jaar lang ruim 15.000 mensen. Wie vrijwilligerswerk deed, verdiende duizenden ponden per jaar meer. Maar wel alleen bij mensen die al tot een hogere beroepsklasse behoorden.

Interessanter zijn de effecten die vrijwilligerswerk op het lichaam heeft – die zijn namelijk niet mals. Bij ouderen die meer dan tweehonderd uur per jaar vrijwilligerswerk doen, is de kans op hoge bloeddruk, en vermoedelijk dus op dodelijke hart- en vaatziekten, 40% lager. Daarnaast doen vrijwilligers het cognitief beter: Amerikaanse 50-plussers gingen 15% tot 20% minder snel achteruit als ze aan vrijwilligerswerk deden. Twee tot vier uur per week was genoeg.
 
En de positieve effecten houden niet op bij langer je koppie erbij kunnen houden. Vrijwilligerswerk lijkt überhaupt je leven te verlengen. In Noord-Ierland werden 300.000 echtparen gevolgd: onder de vrijwilligers lag de sterfte significant lager. Dat verschil had niets te maken met hun sociale klasse of gezinssituatie: bij hun partners was dit effect niet te zien.

Hoe kan dat? Een mooie theorie is dat het helpen van anderen ons brein signaleert dat we sociaal verbonden, nuttig en veilig zijn. Daardoor zouden onze stressniveaus dalen, ontstekingsreacties verminderen en we ons gelukkiger voelen.

Maar dan het addertje: je motivatie is van belang. In een Amerikaans onderzoek werd gevraagd waaróm men vrijwilligerswerk deed. Men kreeg stellingen voorgelegd als ‘ik voel compassie met mensen in nood’, maar ook ‘vrijwilligerswerk helpt me mijn problemen te ontvluchten’ en ‘het geeft me het gevoel dat ik nodig ben’. Vier jaar later was de sterfte onder vrijwilligers met zelfgerichte motieven even hoog als onder mensen die geen vrijwilligerswerk hadden gedaan. Bij de groep vrijwilligers die intrinsiek gemotiveerd was om anderen te helpen, was dat percentage gehalveerd. Je moet het dus echt voor de ander doen.

Zie daar een prachtige catch-22: vrijwilligerswerk kan je leven verlengen en is daarmee de ultieme egoïstische daad. Maar dat effect heeft het alleen als je door altruïstische redenen gemotiveerd bent.